Hier kan een melding komen te staan

De elf Gevallen Gestichtswachters van Veenhuizen

Een vergeten hoofdstuk van moed, verzet en verlies in oorlogstijd

In het stille Veenhuizen, waar lange lanen en monumentale gebouwen de geschiedenis van het gevangenisdorp vertellen, leeft een aangrijpend verhaal voort: dat van elf jonge mannen, allen gestichtswachters, die hun leven gaven in het verzet tegen de Duitse bezetter. Ze worden jaarlijks in het museum herdacht, maar hun volledige verhaal verdient blijvende aandacht.

Door Alina Dijk, conservator van het Gevangenismuseum.

De gestichtswachters van Veenhuizen

Het Korps Gestichtswacht werd in 1942 opgericht voor de buitenbewaking van de Rijkswerkinrichtingen. De eerste tien personeelsleden zijn tien zaalopzieners uit Veenhuizen zelf. In oktober 1942 komen zestig op wachtgeld gestelde oud-militairen naar Veenhuizen. Dit gebeurt door tussenkomst van dienst overheidspersoneelsvoorziening van het departement van Binnenlandse Zaken. Dit gaat niet via de door de bezetter gecontroleerde arbeidsbureaus om de bezetter zo weinig mogelijk informatie over dit korps te geven.  In maart 1943 worden nog een keer enkele tientallen zonder bemiddeling van de door de bezetter gecontroleerde arbeidsbureaus opnieuw enkele tientallen gestichtswachters aangenomen, vaak oud-militairen. Wederom alles op tijdelijk contract, zodat goedkeuring van arbeidsbureaus niet nodig is.

Commandant Walters vraagt in november 1942 drie oud-collega’s of zij de drie verschillende groepen willen aansturen en schrijft hen: “Gezamenlijk zouden wij hier mooi de oorlog kunnen afwachten”. Deze groepen horen bij Veenhuizen I en Veenhuizen II en dan is er de transportgroep. De drie oud-collega’s zijn:

  • Ondercommandant Nicolaas Duijster van Transportafdeling. De transportdienst haalt de verpleegden en gevangenen van en naar het station in Assen. Ook vervoeren zij verpleegden en gevangenen naar het Academisch Ziekenhuis in Groningen, naar rechterlijke instanties en ernstig zieke familieleden.
  • Majoor Roelof Oldejans van Sectie 1 bij Veenhuizen I (nu Norgerhaven). De sectie is ingekwartierd in de oude school ‘Leerplicht’ van Veenhuizen (nu ‘Fleddervoort’).
  • Majoor Hendrik Reinhardus van Sectie 2 bij Veenhuizen 2 (nu Esserheem) De sectie is ingekwartierd in een vleugel van het oude tweede gesticht (nu Gevangenismuseum). Hier zit ook de kantine van het korps.

De marechausseekazerne in Veenhuizen. Collectie Drents Museum.

Veenhuizen tijdens de Tweede Wereldoorlog

De eerste oorlogsjaren verlopen relatief rustig in Veenhuizen, zoals Walters had gehoopt. De Duitsers laten zich weinig in Veenhuizen zien. Halverwege 1943 krijgen de gestichtswachters vrijstelling van krijgsgevangenschap en Arbeidseinsatz. Het korps bestaat dan uit 120 man.

Hendrik Bethlehem

Hendrik Bethlehem werkte begin 1944 als gestichtswachter bij sectie 1 van Veenhuizen I, onder leiding van Roelof Oldejans. Hij was ingekwartierd in de oude school “Leerplicht” in het dorp. Zijn verzetsactiviteiten vonden vooral plaats in Ureterp en Drachten, waar hij betrokken was bij de verspreiding van illegale lectuur en sabotage in knokploeg-verband, samen met de nog onbekende G. Aardema.

Zijn verzetsverhaal begon al eerder. Als jonge boerderijarbeider diende Hendrik bij het Tweede Regiment Wielrijders, en vocht in mei 1940 bij de Grebbenberg, waar zware strijd werd geleverd tegen de Duitse inval.

Op 26 februari 1944 verscheen Hendrik niet op het ochtendappel van het Korps Gestichtswacht in Veenhuizen. Hij was kort daarvoor getrouwd met Sietske Rozema, die toen zwanger was. Bij het huwelijk erkende Hendrik ook Sietske’s oudste zoon als zijn eigen kind. Een maand later werd hij gearresteerd op last van de Sicherheitsdienst in Groningen. Er wordt vermoed dat de aanleiding iets te maken had met onduidelijkheden rond zijn vrijstelling van krijgsgevangenschap.

Hij werd via Kamp Groningen naar Amersfoort gebracht, waar hij Reimer van Tuinen ontmoette. In het boek Efter it tried noemt Van Tuinen hem ‘häftling 10038’. Uit hun vriendschap blijkt hun gedeelde hoop. In de portemonnee van Bethlehem, bewaard in het Arolsen Archief, zit een Fries briefje van Reimer dat hij schreef toen hij Amersfoort moest verlaten:

“Maar hoe het ook komt, kop op en geduld om te wachten op de grote dag… Leve het Heitelân!”

Op 14 oktober 1944 werd Hendrik naar Neuengamme gedeporteerd. Tijdens de evacuatie in april 1945 bracht de SS hem naar het schip Cap Arcona in de Lübecker Bocht. Op 3 mei 1945 werd het schip per vergissing gebombardeerd door de geallieerden. Hendrik overleed, samen met duizenden andere gevangenen.

Foto 1: Elk jaar worden op 4 mei de elf gevallen gestichtswachters herdacht in het Gevangenismuseum Veenhuizen. 

Foto 2: Hendrik Bethlehem.

De transportgroep

Nicolaas Duyster woonde met zijn gezin in de Marechaussekazerne op de begane grond. De andere leden van transportgroep woonden op de eerste verdieping. Nicolaas Duyster was betrokken bij het verzet, de OrdeDienst. In zijn huis waren onderduikers en de oudste dochter verrichte koeriersdiensten.

Het Fochtelooërveen als stille getuige van dappere daden in 1944

In de zomer van 1944 komt vanuit Londen een dringende oproep: verzetsgroepen in Nederland hebben dringend behoefte aan wapens. Er moeten geschikte terreinen worden gevonden voor geallieerde wapendroppings. Eén van die locaties wordt een afgelegen zandrug in het Fochtelooërveen bij Veenhuizen, die de codenaam ‘Rhododendron’ krijgt.

Veenhuizen als schuilplaats

Veenhuizen vormt in die tijd een toevluchtsoord voor onderduikers en verzetslieden. Jongens van het verzet verblijven onder meer bij pater Telesphorus Smits (1887–1967) en boer Koop Woering (1890–1945). Via een illegale radio houden zij contact met de geallieerden en wachten ze op de gecodeerde boodschappen van de BBC.

De eerste poging tot wapendropping in de nacht van 11 op 12 september 1944 mislukt grotendeels. Door een defect aan het vliegtuig wordt de lading te ver in het veen afgeworpen. Veel containers vallen in handen van de bezetter.

De succesvolle dropping van 9 op 10 oktober 1944

Een maand later, in de nacht van 9 op 10 oktober, is het opnieuw raak. De BBC zendt die middag om 13:15 uur de codezin “Napoleon heeft het ook gedaan” uit. Het verzet weet dan dat de dropping zal doorgaan. ’s Avonds om 20:30 uur wordt het bericht herhaald: de dropping is bevestigd.

Rond twintig helpers – onder wie Nicolaas Duijster en zijn transportgroep van gestichtswachters – staan klaar bij het terrein. De knokploegleider van Noord-Drenthe, Catharinus ‘Kees’ Veldman, seint met een morsecode de letter Q naar de piloot. Als die de letter W terugseint, weet het verzet: het vliegtuig is op de juiste plek. Met de dropping arriveert ook het Special Air Service-team ‘Portia’, bestaande uit Rudolphe Henri Alfred Groenewout (1902–1980); Nikolaas Jakobus de Koning (1907–1997); Robert Cornelis Michels (1916–1988); en Willem van der Veer (1917–2009). Deze vier mannen spelen later een sleutelrol in de bevrijding van Noord-Nederland.

Maar er gaat iets mis. Door een mankement aan het hoogteroer van de Stirlingbommenwerper wordt de lading veel te laag uitgeworpen – op slechts 70 meter hoogte. Drie parachutisten raken gewond door de harde landing. Alleen de vierde, Robert Cornelis Michels, kan veilig springen.

De leiding van het korps Gestichtswacht, van links naar rechts: majoor Hendrik Reinhardus, majoor Roelof Oldejans, commandant Hindrik Walters, ondercommandant Nicolaas Johannes Duyster, foto Koning Assen, Collectie Gevangenismuseum Veenhuizen.

Spanning aan de Kolonievaart

Na de dropping zoeken twaalf gestichtswachters langs de Kolonievaart naar de gewonde parachutisten. Bij elke stap steken ze een lucifer aan, hopend reflecties van parachutes in het water te zien. Parachutist Willem van der Veer, die hen in het donker ziet, denkt even dat het Duitsers zijn. Maar dan hoort hij een van hen zacht zeggen: “Als ze maar niet verdronken zijn.”

In morse fluit hij de letter Q. Even later klinkt het antwoord: W. Ze hebben elkaar gevonden. De parachutisten en worden naar de kazerne gebracht, waar Trijntje Duijster die nacht voor hen kookt.

Verstoppen, verplaatsen en verspreiden

De containers worden eerst verstopt in een schijvenloods bij de schietbaan. Later worden ze deels verborgen in het cellengebouw de Rode Pannen, op zolders, bij Veenhuizers thuis, en zelfs in de zandbak van de kinderen bij de kazerne.

De parachutisten blijven enkele dagen in Veenhuizen. Daarna vertrekken ze om in Groningen, Friesland en Drenthe lokale verzetsgroepen te trainen in wapengebruik, kaartlezen en kompaslopen. Ze blijven niet onopgemerkt: hun inzet leidt tot cruciale versterking van het verzet in het noorden van het land.

Verraad

De activiteiten van de transportgroep bleven niet onopgemerkt. In december 1944 werd de groep verraden. Op 15 en 16 december volgden arrestaties; hun verzetsnetwerk werd opgerold. Duijster en de gestichtswachter Lubbert Berga kunnen ontsnappen, omdat zij onderweg naar de kazerne hoorden over de razzia.

Deel van kaart waarop de Landwacht en SD de verzetshaarden in Veenhuizen hebben aangegeven, Collectie Gevangenismuseum Veenhuizen.

De tragische afloop: transport naar Neuengamme

De elf werden overgebracht naar het Huis van Bewaring in Assen, daarna Groningen, en tenslotte naar kamp Neuengamme bij Hamburg – een kamp berucht om zijn ontberingen, een hel van kou, uitputting, dwangarbeid en mishandeling. Tien van hen kwamen daar door verhanging om het leven. Eén man, Pieter Warntje Tuin, stierf tijdens zijn overplaatsing naar het kamp Ravensbrück.

Vaders, echtgenoten, verzetshelden

Vier van de gevallen wachters lieten jonge kinderen achter. Sommigen waren pasgetrouwd, anderen nog jongemannen met een toekomst voor zich. Ze kwamen uit heel Nederland, maar vonden elkaar in Veenhuizen – in kameraadschap, plichtsbesef, en uiteindelijk in verzet.

Hendrik Bethlehem (1919-1945)

Krijn Adrianus Jan Bouman (1914-1945)

Johannes Theodorus Van Diesen (1918-1945)

Onno Dijkstra (1917-1945)

Jan Johannes de Groot (1920-1945)

Berend Okken (1921-1945)

Marinus van Oeveren (1916-1945)

Klaas Rodenhuis (1916-1945)

Engelke Rops (1919-1945)

Pieter Warntje Tuin (1919-1945)

Marten Veldhuizen (1911-1945)

Herinnering in het Gevangenismuseum

Sinds 1984 wordt hun herinnering levend gehouden in het Gevangenismuseum van Veenhuizen. Op een speciaal banier prijken hun portretten – elf jonge mannen die het lef hadden om tegen de stroom in te gaan. Elk jaar op 4 mei herinneren wij hun in het Oog van het gevangenismuseum.

De elf gevallen gestichtswachters herinneren ons eraan dat moed niet altijd begint met grote woorden, maar vaak in stilte groeit. Ze waakten over anderen…. en over onze vrijheid.

 

Sta stil. Lees hun namen. En vergeet ze niet.